Melk

 

zwijgzaam tongt en rukt het beest het grasland kaal

 

stalen tandvlees moeie ogen

verveelde blik op horizon van stad en land

perpetuum mobilerend malen

kaken wortel blad tot proppen

speekselgroen

het moederlijf zakt door de poten

en ziet het baarveld aan

 

kauwt en kauwt geeft op geeft op

en maalt en slikt en braakt en slikt

mechanisch krimpt en pompt het ingewand

de proppen rond in vierendelen

 

alles zwelt hier tot ontlasting

 
het moet eruit het moet eruit

 

verheven op de hoeven

 
is het goed zo

 

grondmist deint op akkers

zij ziet de zon

de dag aan breken

 

likt haar lippen

 

de ochtend loeit weer aan